Episode Transcript
[00:00:08] Speaker A: Charly, Charly, nu is het afreed.
[00:00:14] Speaker B: Aston
[00:00:20] Speaker A: Villa won frontbenderers 4.
[00:00:25] Speaker C: Goalscoord by Louis Van Hecken.
Ah, Louis. Wat een match, vriend.
[00:00:37] Speaker D: Torte. Bon match, mon ami.
Amai, dine knakkel op t'ende. Ik dacht, dine glijd hier direct van t'stadion uit.
[00:00:45] Speaker A: Riton. Twee gols op je teller. Zijn je daar goed geswagneerd in Milaan, hé, maat?
[00:00:48] Speaker D: Ja.
En ik wil er toch liever hier zijn.
Ik kon niet meer verdragen dat ik gins zat en dat er hier oorlog is.
[00:00:55] Speaker A: Zou je het nog thuis niet zeggen? Eén-vier-win tegen Aston Villa.
[00:00:58] Speaker D: Ja, en ziet.
Ze zijn zot van ons.
Veel uitgeweken landgenoten ook in de tribune.
[00:01:05] Speaker A: Dat zorgt toch voor een vreemd gevoel. Vind je dat niet? Voetballen terwijl je weet dat er zoveel miserie gaande is. En dan volgende week zelf weer in de loopkraam zitten.
[00:01:13] Speaker D: Ja, of dat is waar, wat?
Als je de gezichten ziet. De glimlach van die mensen en de spelers die al maanden geen reden meer hadden om te lachen.
Dan kun je nee zeggen.
Allee, kijk.
Die verliezen 1-4 en die willen met
[00:01:27] Speaker C: ons op de foto.
[00:01:28] Speaker A: Voor eventjes vergeten dat we soldaten zijn. We zijn terug spelers. Makkers. En dat kopijn, dat is misschien wel de schoonste overwinning van allemaal.
[00:01:41] Speaker B: Zeg,
[00:01:51] Speaker E: Torte.
[00:01:52] Speaker D: Heb je al iets gehoord over de plannen op deze toernee?
[00:01:55] Speaker A: Ik heb gehoord dat we volgend jaar nog drie matchen in Engeland mogen spelen. Voor de rest weet ik het ook niet.
[00:01:59] Speaker D: De oorlog is daar ook niet gedaan.
[00:02:03] Speaker A: Het is een uitput-inslag geworden. En ik heb gehoord dat de Britten bij Cambrai de linies van de Duitsers hebben doorgebroken.
[00:02:08] Speaker D: Ja, en tegelijkertijd doet Rusland niet meer mee.
Enorme opstand van het volk daar. Dus, al die Duitse troepen zijn maar hinder op weg naar het westen.
[00:02:18] Speaker A: Just zoals de Amerikanen. We moeten er moeten in, ouwe Louis.
We gaan het weten als we terug aan het front zijn. Voor de rest, blijven vechten en blijven trainen. Hier, je zeep door het venster.
[00:02:42] Speaker C: Villa Park, Birmingham, 1917.
Terwijl de grote oorlog Europa al drie jaar in een wurggreep houdt, is het einde nog lang niet in zicht.
Aan het westfront wordt gevochten voor elke centimeter.
Over de Atlantische Oceaan zijn de versterkingen uit Amerika onderweg, maar aan het oostfront keert het tij.
De Oktoberrevolutie haalt Rusland uit de strijd, waardoor tienduizenden Duitse troepen massaal koers zetten naar het westen.
Het is een zenuwslopende race tegen de klok.
Aan het begin van deze aflevering hoorden we Hector Gutink en Louis van Heege. De ene is een charismatische non-conformist, de andere een volmaakte atleet, gesmeed in de meest vrede omstandigheden.
Twee uitzonderlijke voetballers die boezenvrienden werden bij de front Wanderers.
Want aan het front van de ijzer bleef het Belgische voetbal tijdens de Eerste Wereldoorlog leven.
Het leger gebruikte de sport als ontspanning en als training.
Vanaf 1915 werden er in zowat elk legerkamp kleine velden aangelegd. In oeren, poperingen, woesten tot zelfs op het strand van De Panne.
Dat voetballen achter het front groeide al snel uit tot een echte competitie.
Regimenten en divisies stelden ploegen samen.
Belgen speelden tegen Fransen en Engelsen en er was zelfs een Antwerp-beerschot aan het front.
Er kwam een officieel militair kampioenschap waarvan de winnaar de trofee kreeg uit handen van koning Albert zelf.
Het Belgische neusje van de zalm van al die ploegen, de Front Wanderers.
Een team van soldaten die aangesloten waren bij de Belgische Voetbalbond.
Zij staan deze aflevering centraal. Niet alleen als voetbalteam, maar ook als voorloper van de Rode Duivels, als eerste sociale beweging in het voetbal en als de beste Belgische lichting ooit.
Samen met Hector Goetink en Louis Van Hegen, twee absolute sleutelfiguren met elk hun eigen verhaal, zetten we onze reis naar Montevideo verder.
De jaren voor, tijdens en na de grote oorlog waren een allesbepalend scharniermoment in de geschiedenis van ons voetbal.
Lang voor Mexico 86 of Rusland 18 met de aandacht ging lopen, was België een klein maar fascinerend decennium lang wereldtop.
Dit is een onderbelicht verhaal uit een periode waarin de eerste Gouden Generatie haar naam alle eer aandeed, de periode waarin de namen Rode Duivels in Nederland zijn oorsprong kende en waarin we de reden vinden waarom België die magische ster boven het embleem met recht en reden mag, nee, moet opeisen.
Welkom bij De Valse Traad.
In de jaren na de oprichting breidde de FIFA met de Brit Daniel Burley-Wolfvall aan het roer snel uit.
In 1909, vijf jaar na de oprichting in Parijs, sloot met Zuid-Afrika het eerste niet-Europese land zich aan.
Argentinië en Chili volgden in 1912.
De Verenigde Staten en Canada sloten nog een jaar later aan.
Het idee van een internationale voetbalbond sloeg ook aan buiten de founding nations. De veelbelovende start in Parijs kreeg echter niet meteen een vervolg.
De prille FIFA was eigenlijk niets meer dan een administratieve entiteit die vooral toekeek hoe de nationale bonden de sport zelf vormgaven.
Zo ook België.
Vooral België, moeten we zeggen.
Het komende decennium zou namelijk alles bepalend worden voor het voetbal in ons land.
Van het toppunt van de belle époque tot aan het uitbreken van Wereldoorlog 1 in 1914 legde België haast zonder het te weten een ijzersterk fundament onder het vaderlandse voetbal.
Er is te veel om te benoemen en te ontdekken.
In ons bronnenonderzoek botsen we steeds opnieuw op dezelfde naam. In die mate dat ik naar Nijlen trek, woonplaats van Raph Willems.
[00:07:32] Speaker F: Dag Raf.
[00:07:33] Speaker C: Wat een zalige deurbel.
[00:07:36] Speaker B: Ja, ja.
Zit hier.
[00:07:40] Speaker C: Raf schrijft al ruim dertig jaar boeken over voetbalgeschiedenis en mag zich met recht en reden voetbalhistoricus noemen.
De bibliotheek in zijn bureau is indrukwekkend, net als zijn paraten kennis over voetbalgeschiedenis.
Ik wil van hem horen hoe België zo kort na de oprichting van de FIFA zich internationaal wist te onderscheiden.
Want bijna dag op dag, een jaar na die historische 3-3 tegen de Fransen in Uckel, op 29 april 1905, stond de trofee van de Nabelen op het programma.
De Nederlanders noemden het kleinoodspottend het kopere dingetje. Vooral omdat de Belgen de eerste drie edities hadden gewonnen. Zij het met selecties waar ook Britten in zaten.
Maar tegen de echte Nederlandse selectie liepen we tegen de lamp. Een pijnlijke 1-4 thuisnederlaag.
Een week later volgde een bizar eerherstel tegen de Fransen. 7-0. Al zat daar een reukje aan. De Franse keeper, Georges Croisier, moest na een uur het veld af om op tijd terug te keren naar zijn kazerne. Een verdediger nam zijn plek in, al stonden toen al 4-0.
De vreugde was echter van korte duur, want weer een week later volgde een ijskoude douche op het Schuttersveld in Rotterdam. Een 4-0-pandoering.
De conclusie was pijnlijk duidelijk. Deze ploeg schreeuwde om vers bloed.
[00:09:01] Speaker B: Kijk.
[00:09:02] Speaker C: Ik zit met Raf in zijn bureau en we bladeren door een van de ontelbare boeken die uitslagen, opstellingen en verslagen uit die periode beschrijven.
[00:09:11] Speaker B: Dat was wedstrijd vijf en zes van de Rode Duivels. Wat zien we daarvoor? 3-3 tegen de Franse. 1-4, zware nederlaag tegen Nederland. Eerst match, dan 7-0.
En dan weer 4-0.
En dan komen Goetink, De Veen en Combier in de ploeg.
Hier. Ik stel nu eigenlijk vast dat dat in drie weken tijd gebeurd is, wat ik daarvoor nog niet gezien had.
Dus 22 april, 29 april en dan 13 mei. Dat is gewoon binnen een tijdsbestek van drie. Dat is de eerste keer dat ik dit nu vasthoud. Dat dat drie weken drie overwinningen waren.
Dus dit is het Brugse trio dat het Belgisch voetbal in die drie matchen voor de eerste keer allure geeft.
[00:09:58] Speaker E: Charles Cambier, FC Blousois, centre-half.
[00:10:02] Speaker C: Juist is juist. Charles Cambier speelde reeds mee in die 3-3 tegen de Fransen.
De man die zijn been brak na een tackle van een ploeggenoot, maar terugkeerde en een record aantal jaren zou voetballen. Een absoluut record dat pas door Timmy Simons gebroken zou worden.
Cambier verdween na de 3-3 tegen Frankrijk uit beeld.
Hij maakte pas twee jaar later zijn wederoptreden met twee Brugse ploegmaats die debuteerden. Robert De Veen was een spits.
Hij werd destijds gezien als een van de meest bekwame aanvallers buiten de Britse eilanden.
Met zijn 26 doelpunten in slechts 23 interlands voor België is De Veen tot op de dag van vandaag de meest efficiënte topschutter in de geschiedenis van het Belgische nationale team.
Hij was de kapstok waar de aanval van FC Bourgeois en later ook België aan hing.
Het maakte van hem de absolute beul van de vroege jaren 1900.
Van zijn 26 internationale doelpunten scoorde hij er maar liefst 13 tegen Frankrijk, waaronder een wedstrijd waarin hij vijf keer het net vond.
Hij hield het Belgische record van topschutter aller tijden in handen van 1906 tot 1938, toen hij pas ingehaald werd door Bernard Voorhoof, die daar echter 61 matchen voor nodig had.
De Veen scoorde meteen twee keer bij zijn debuut op 21 april 1906.
Een 0-5 overwinning in Parijs. Want ja hoor, opnieuw waren de Fransen het kind van de rekening.
Een week later, op het Kiel in Antwerpen, scoorde De Veen een hat-trick.
De wraak was binnen. Nederland ging met forfait-cijfers voor de bijl.
[00:11:54] Speaker A: Hector Houtink, FC Bourgeois, flankaanvaller.
[00:11:57] Speaker C: En dan hebben we nog Hector, oftewel Torten Houtink, een kwieke flankaanvaller met karakter en charisma te koop. Hij maakte zijn eerste doelpunt in die 5-0 tegen Nederland.
Buiten het eerste internationale doelpunt van Houtink, een van de protagonisten van deze aflevering, staat deze wedstrijd vooral bekend om iets anders.
[00:12:16] Speaker B: En toen, hier, hier, hier is het gebeurd.
[00:12:20] Speaker C: Raf zijn vinger tikt naarstig op de forfaitscore die de Belgen tegen Nederland lieten optekenen.
Ik weet meteen welke misvatting hij uit de weg wil helpen. Want tot op dit moment is er van de naam Rode Duivels nog geen sprake.
De term wordt toegeschreven aan Pierre Walckiers, een medewerker van de Belgische Voetbalbond en schrijver voor La Vie Sportive, een tweewekelijkse krant van de bond zelf.
Tot nu toe werd aangenomen dat Walkiers de term Rode Duivels voor het eerst in het leven riep in het wedstrijdverslag van de 5-0 zege op het Kiel.
Hoewel dit de eerste keer is dat de naam geschreven werd, is Walkiers niet de uitvinder van de bijnaam Rode Duivels.
Die is immers te vinden in...
[00:13:03] Speaker B: In de voetbalanecdote van Goetink.
Ik weet niet hoe snel het gaat duren eer we dat gevonden hebben.
[00:13:10] Speaker C: Want in 1943 bracht Thornton Goetink zijn boek genaamd Voetbalanecdote uit.
En hierin staat het echte verhaal van het ontstaan van de bijnaam de Rode Duivels beschreven.
[00:13:23] Speaker A: Ik heb mijn laatste internationale landenkamp 19 jaar na mijn eerste wedstrijd gespeeld. In onze tijd waren er maar twee tot soms drie wedstrijden per jaar.
En als je van Brugge was, kreeg je niet zoveel kaas, want de Brusselaars hadden een voetje voor.
Ik fungeerde bij de Belgische ploeg als rechtsbuiten of linksbuiten.
Een der schoonste uitslagen was in 1906, als we te Antwerpen-Holland een tavering gaven van 5-0.
De aanvalslinie bestond uit Wright van Racing Brussel, Feyenoord van Leopold Klub, De Veen van Club Brugge, Testerbeek van Union en Houtink van Klub, met als spil Charles Cambier van Klub, die daar iedereen zijn bewondering afdwong.
Het is na die wedstrijd dat de heer Van Hasselt, leider van de Hollandse ploeg, uitriep... Dat zijn geen voetballers, dat zijn Rode Duivels.
En vanaf toen werd de Belgische ploeg steeds de Rode Duivelsploeg genoemd. Dit gebeurde de 29e april 1906.
En acht dagen voordien hadden we te Parijs de Fransen geklopt, juist met dezelfde score.
Het was een tijd dat Belgisch voetbal hoog aangeschreven stond.
Alle vreemde elftallen die naar België kwamen spelen voor kerst- of paastournooien moesten eraan geloven.
[00:14:31] Speaker B: Met andere woorden, hier bewijst hij dat de term Rode Duivels niet in 1912 is ontstaan, maar wel al opgedoken is in 1906, na zijn eerste twee interlands.
Hoeting sprong toen in het oog en werd ook de beste speler van de volgende match genoemd, amper twee weken later, toen België voor de eerste keer in Nederland ging winnen met 2-3. Dus het waren Fantastische dagen voor het Belgisch voetbal, maar vooral die Frankrijk-België 0-5 op 22 april en België-Nederland 5-0 een week later sprongen in het oog.
Met voor de eerste keer die drie spelers van Club Bruggerin, waar Houtink de belangrijkste van was.
En daar werd dus gezegd door de Nederlandse begeleider van de nationale ploeg, Sees van Hasselt, dat zijn geen voetballers, dat zijn rode duivels.
En zo is het begrip Rode Duivels ontstaan en het is dus geen uitvinding wat ook verkeerd wordt gedacht van de Frans-talige journalist van La Vie Sportive, Pierre Walckiers, want die heeft het gewoon vertaald in Lady Hanelou.
[00:15:55] Speaker C: Onder impuls van een ongrijpbare torte Goetink zorgden de gloednieuwe Rode Duivels voor een remontada tegen de selectie van Van Hasselt.
Een kwartier voor tijd staan de Belgen nog 2-0 in het krijt.
Maar met een voet in de goals van Cambier, Destrebek en opnieuw Cambier legt Goetink de maar liefst 30.000 Nederlanders het zwijger op.
Het Rotterdams Nieuwsblad had immers een actie georganiseerd. Wie zich abonneerde, mocht gratis naar de wedstrijd. Nederlanders en handelsbrani, maar ook Nederlanders en iets gratis krijgen, het was toen al een geslaagd huwelijk.
Het was de eerste keer dat er op het Europese vasteland meer dan een handvol duizend supporters een voetbalwedstrijd bijwoonde.
En daar leerde men ook, buiten de landsgrenzen, Thor de Goutine kennen.
[00:16:49] Speaker B: In
[00:16:55] Speaker C: België stond de flankaanvaller reeds bekend als de Brugse gazelle.
Met zijn snelheid en gemete voorzet thijsterde hij vanop zijn linkervlank de verdedigers van de Belgische competitie.
Roetink werd op het strand van zijn woonplaats Heist aan Zee ontdekt door FC Bourgeois.
Al snel viel op dat hij het spel niet alleen wil spelen, maar ook begrijpen.
[00:17:20] Speaker B: Als hij 17, 18 jaar was, nam hij een boot naar Dover, bij wijze van spreken. En dan trok hij tot in Londen.
En zelfs tot in Manchester is hij geweest om te zien hoe ze trainden.
En hij ging kijken hoe Manchester United traind, hoe Chelsea traind.
En hij kwam met die ideeën... Allee, notities daarvan, of hij kocht daar misschien een boekje van, dat zal wel bestaan hebben. Hij kwam daarmee terug.
En hij was de eerste die als speler begon aan te denken over moderne trainingsmethodes.
[00:17:54] Speaker C: Raf schreef samen met Stéphane Verfayy, achterkleinzoon van Goetink, het boek Het bewogen levensverhaal van Hector Goetink.
Samen met de zeer moeilijk te vinden voetbalanecdote van Tochtenzelf, een schat aan informatie.
In de laatste jaren van de Belle Epoque domineerde het ongenaakbare Union Saint-Gilloise de Belgische competitie.
Tussen 1905 en het uitbreken van de oorlog in 1914 werd de Union zeven keer kampioen.
FC Bourgeois, de voorloper van Klub, had dankzij Goetink heel wat kick-and-rush-principes in hun spel en eindigde drie keer vlak na de Brusselaars.
Zo ook in 1910.
Klub leek het dans te gaan flikken.
Tot Charles Cambier zijn intussen bekende beenbruik opliep door een tackle van Unionspeler Lommeken van den Einde, zijn collega op het middenveld van de Rode Duivels.
De impact in Brugge was enorm. Zo getuigde ook Hector Goetink.
[00:19:00] Speaker A: Toen Union enkele weken later op Cercle Brugge speelde, stonden de clubfans op wraak.
Ze hadden de touwen van het gareel van de paarden, die de omnibus van het station naar het stadion trokken, doorgesneden. De koetsier sloeg met de zweep op de paarden, maar de wagen bleef staan.
Een hagel van stenen kwam door de ruiten in de koets terecht, waar de Unionspelers op de vloer dekking zochten onder hun valiezen.
Na een gevecht met de clubfans konden ze het stadion bereiken langs de buitenweg.
Dat was zeker niet fair en niet sportief, maar het was de heldentijd van Brugse voetbal.
[00:19:49] Speaker C: Van een combiregeling was toen duidelijk nog geen sprake.
Op de vloer van die bewuste omnibus, wegduikend van de regen van stenen en keien, lag ook Louis van Heeghe.
De veelzijdige spits van Union die de Brusselaars in 1910 hun zesde titel schonk.
Een technisch verfijnde atleet die zowel op de flank als in de punt niet alleen zijn mannetje stond, maar constant wist uit te blinken. Een echt fenomeen.
Het leverde hem die zomer een transfer op naar het toenmalige Milan FC.
Intussen bleef men in Bruges strijden voor de Oppergaai. In 1911 waren alle ogen op de stad gericht, toen de titel op de laatste speeldag werd beslist in een stadsderby tussen Klub en Cercle. Cercle had genoeg aan een gelijkspel, maar was op achtervolgen aangewezen.
Tot Klub-doelman Doorn, met Hoevijzer in de broek genaaid, de bal ongelukkig wegwerkte en een own goal het blauw-zwarte lot opnieuw bezegelde.
Zelfs met Cambier, De Veen en Goetink als sterkhouders strandt Club wederom op de tweede plaats. Deze keer tegen stadsgenoot Zerkle.
Ondanks de vernedering brak er een periode aan die symbool stond voor de gedaantevorming van Club Brugge als Club van het Volk. Wie zich toen op non-conformistische wijze wilde afzetten tegen de grandeur uit Brussel, moest bij Club en bij uitbreiding toch de Goetink zijn.
Volgend jaar is ons jaar. Het werd een credo in minder succesvolle tijden bij Club.
Maar het volgende jaar zou er niet meteen komen.
[00:21:50] Speaker B: Ze
[00:22:00] Speaker D: noemen mij hier de Luigi.
Die Italianen, die dragen mij op handen.
Ze juichen als ik de bal nog maar beroer, alsof dat elke toets van mijn voet een beloftenis leek in los.
Ze zingen mijn naam in de straten van Milaan met een passie die alleen dit volk kent.
91 wedstrijden, 98 goals.
Vijf keer trof ik het net in die ene middag tegen Juventus.
[00:22:34] Speaker C: 8-1.
[00:22:36] Speaker D: Ze noemen mij de bleke bliksemschicht.
Omdat ik niet wacht op de ballen.
[00:22:44] Speaker B: dendenbal.
[00:22:45] Speaker D: Waar anderen vertragen om te dribbelen, versnel ik.
Ik laat de verdedigers achter als standbeelden van marmer bevroren in hun eigen verbazing.
En Piero Pirelli, die gaf mij echt alles.
Een job bij zijn fabriek, een plek in de naval van deze prachtige club.
En in ruil kreeg ik de liefde
[00:23:10] Speaker C: van de Italianen en zelfs de Gazetta.
[00:23:14] Speaker D: Uitgeroepen tot de meest populaire speler van heel Italië. Ikke, ikkene jonge, het ukel.
Mijn lichaam is hier.
In de gouden zon van Lombardije. Ik voel me sterk op het toppunt van mijn kunnen.
Maar mijn ziel... Mijn ziel is een deserteur.
[00:23:48] Speaker B: Het opdiepen van deze ook weer onbekende geschiedenis ligt bij de Brusselse historicus Kurt de Zwert.
Van Hege is uiteindelijk de eerste grote speler van FC Milan, heette het toen nog, want dat was de voorloper van AC Milan, geweest in de periode 1911-1915, waarin hij in vijf seizoenen of vier seizoenen, vier seizoenen, 91 doelpunten maakte.
In de historische rangschikking van buitenlandse Spitsen staat hij nog altijd in de top 10 bij Milan.
En Milan bezorgde bijna twee landstitels.
Eén keer werd uitgeroepen tot Speler van het Jaar. Topschooter was van de competitie. Enfin, de vedetta was van het Europese vasteland.
De beste speler was hij, ook al hadden we dat nog niet door. Toen had men dat toen niet door. Maar hij was ook de beste speler van Europa.
Hij was niet vast op één positie.
Van Hegen had zich dus ontwikkeld tot een speler van een soort die eigenlijk niet bestond. Want je had ofwel klassieke driebelaars die de ballen aflegden ofwel afwerkers.
En hij had die beiden in zich.
Waardoor hij eigenlijk de beste speler op dat moment van het continentaal Europa was.
[00:25:09] Speaker C: De beste speler van het vasteland, een Belg.
Tussen 1906 en 1910 draagt hij het geelblauw van Union Saint-Gilloise.
De statistieken uit die tijd doen nog niet vermoeden wat er komen gaat. Vijftien goals in 42 matchen.
Degelijk, maar nog geen legende.
talent laat zich echter niet zien in cijfers alleen.
Het is maart 1910, in de historische Arena Civica van Milaan, wanneer het noodlot, of het geluk, toesleed.
[00:25:50] Speaker B: Hij speelde bij Union en daar was hij de kampioenemaker van Union geweest in 1910, 1911.
Zoals Houtink het toen zei in zijn anekdote, waren de Belgische clubs toch wel zeer sterk in de vriendschappelijke internationale toernooien. Dat moet men niet zich er veel van voorstellen, want dat waren wedstrijden tegen Franse en Nederlandse clubs. Af en toe kwam er eens een Engelse bij, maar veel verder ging dat ook niet.
En ze wonnen heel veel van die toernooien.
Dus ze hadden toch een internationale reputatie opgebouwd en ze werden uitgenodigd in Italië, in Milaan, om daar te gaan voetballen.
En ze speelden de plaatselijke selectie van het veld.
En drie spelers van Union werden verzocht om Ginder te spelen.
en kregen een job aangeboden door de plaatselijke voorzitter, bedrijfsleider van de club.
En daar was Van Heeghe bij. En van de drie, ik denk dat enkel Van Heeghe echt carrière heeft gemaakt daar. En die werd dus één van de topspelers vanaf 1911 in de strijd met toen al Internationale en Juve. De tijden zijn niet veranderd.
Hij tilde Milan naar een hoger niveau en de competitie ook.
[00:27:10] Speaker C: Piero Pirelli, de voorzitter van Milan, is zo onder de indruk van de 24-jarige Van Hegen dat hij hem een aanbod doet dat hij niet kan weigeren.
Pirelli zet alles op alles.
Van Hegen krijgt een baan in zijn wereldberoemde bandenfabriek en een gegarandeerde plek in de basis van de Milan Football Club.
Louis vertrekt naar het zuiden.
De Italiaanse pers doopt hem snel om naar Luigi.
Het zou niet lang duren voordat hij het Italiaanse calcio als een wervelwind zou veroveren.
Louis of Luigi zou in totaal in 91 wedstrijden voor de Rossoneri aan 98 doelpunten komen.
Tot op heden staat van Hegen nog steeds in lijstjes van de meest efficiënte spitsen aller tijden van AC Milan.
De kranten stonden bol met Il Palido Saitante, de bleke bliksemschicht.
Ze zijn een schat aan informatie over hoe de Italianen onze landgenoot percipeerden.
Zomer of winter, herfst of lente, Van Hegen was altijd te vinden voor individuele training.
Hij was niet alleen een voetballer, maar ook een fervent hardloper, bergbeklimmer en wielrenner. Dat verklaart zijn uitzonderlijke weerstand en conditie.
Ondanks dat hij de beste was, speelde hij altijd voor het team.
Hij wilde nooit schitteren om te schitteren, maar alleen om te winnen. Geen vedette met sterrenallures, maar een man van weinig woorden en veel daden.
Journalist Emilio Colombo geeft ons in 1915 in Losport Illustrato een veel intiemer beeld van Louis van Hegen dan de droge statistieken.
Hij bevestigt veel van wat we al vermoeden, maar voegt daar een bijna poëtische, fysieke beschrijving aan toe.
[00:29:15] Speaker F: Het gezicht van de Belg verraadt nauwelijks dat het om een atleet gaat.
Het is niet een van die energieke, ruwe gezichten.
Het is een bleek, zachtaardig gezicht. Un volto palido, waarover een vage schaduw van droevigheid lijkt verspreid.
Toch is Van Hege atleetisch gezien een sterke man.
Niet heel groot, maar goed gebouwd.
Hij bezit de verfijnde kunst om de bal vanuit elke positie te raken.
Van Heege beschikt over spieren en is krachtig in zijn schot.
Hij gebruikt beide voeten met dezelfde vertrouwen. Een bliksemschicht vanuit stilstand en in de loop.
Van Hegen dribbelt niet zoals de anderen.
Deze bleke en bescheiden jongen heeft een spel dat volledig gebaseerd is op snelheid.
Hij is razendsnel. Un velocissimo.
Sneller, vlugger in zijn acties dan de beroemde Wittmeyer.
Voor mij is hij de gevaarlijkste man. Lomo più pericoloso voor de vijandelijke defensie.
[00:30:26] Speaker D: Hij
[00:30:31] Speaker B: leefde als goed in Italië. Hij was de eerste vedette die tegelijkertijd iets... Ja, de tegenpol was van Goetink met zijn kabaal en gedoe was van Hege teruggetrokken. Een beetje een figuur met een zekere tip. Zo werd hij omschreven. Le belge triest, geloof ik. Met tristesse over zich.
Zeker vanaf het moment dat die oorlog begon, want Italië bleef twee jaar uit de oorlog neutraal en besloot in 16 pas om de gaollieën op de zijde te kiezen.
En dat was dan het einde van de story voor Van Hegen, die dus vier jaar, echt elk jaar beter en beter werd en daar goed zijn brood verdiende als vertegenwoordiger van Pirelli.
Die moest onder de wapens.
Maar dat gebeurde pas nadat hij voor een benefietwedstrijd in Wielaan had gezorgd, waar duizenden mensen naartoe kwamen.
In La Gazzetto dello Sport, de omschrijving dan, hoe Van Heegh daar zo zwaar van onder de indruk was.
Letterlijk de centrale niet kon bedwingen, maar ook van de andere kant er geen woorden voor had. Dan werd de beschrijving zo gemaakt van de triestige Belg zo, ja.
[00:31:59] Speaker D: Pirelli bood mij alles.
De zon, de roem en een veilig bureau in hun fabriek.
Maar ik ben geen man voor een kantoor.
Ik ben een atleet die leeft van de weerstand.
Of dat nu de beklimming van een berg is... een winterse training in de Frieskau op dit veld of de modder van den IJzer.
Ik moet de strijd voelen.
Ik vertrek niet met angst. Ik vertrek met een rustige geest. Want achter de bliksel van mijn rushes en die 98 goals was er altijd die ene hoop.
dat ik op mijn dag zal terugkeren naar een België dat weer is opgestaan.
Mijn koffers zijn gepakt.
Ik was de koning van Milaan, maar vanaf morgen ben ik weer gewoon Louis.
[00:33:32] Speaker C: Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 legde de Belgische Voetbalbond de competitie stil.
Te veel spelers werden opgeroepen voor het leger en te veel verplaatsingen waren verboden.
Onder de bezetting kon er quasi niet meer gevoetbald worden.
De overgebleven spelers konden niet anders dan zich aan te melden als vrijwilliger voor het Belgische leger.
Onder hen dus ook Torte Goetink. Louis van Hege kwam er dus aanvankelijk beter vanaf in Milaan, maar ook daar kwam verandering in.
Tenmidde van de war to end all wars was er gelukkig nog plaats voor voetbal.
U denkt natuurlijk meteen aan de christmas truce en die voetbalwedstrijd die gespeeld werd tussen een Brits en een Duits team.
Hoewel die christmas truce zeker en vast plaatsvond, is het voetballende gegeven hier eerder arbitrair van aard.
Die wedstrijd tussen de Engelsen en de Duitsers, die was er niet.
Een paar soldaten die in willekeurige kringen een bal, een blikje of een hoopje stro naar elkaar trapten, dat wel.
De meeste meldingen kwamen uit de regio rond Ploegsteert.
En die bekende foto van die drie soldaten die een kopduel aangaan, die werd pas een jaar later genomen in Griekenland.
Ja, ook voor deze voetbalromanticus was dat een pijnlijke factcheck.
Gelukkig zijn er de frontwanderers.
Zij brengen me naar mijn thuisstad, Leuven.
Tijdens onderzoek naar de frontwanderers botste ik namelijk op een lezing van Dries van Isacker, professor kerkgeschiedenis en hoogleraar aan de KU Leuven.
Professor van Isacker bundelde zijn onderzoek met enkele andere studies die hij vond.
Want bij de frontwanderers lopen Torte Goetink en Louis van Hegen elkaar opnieuw tegen het lijf.
[00:35:28] Speaker F: Hallo. Dag professor.
[00:35:29] Speaker C: Goeienavond.
[00:35:30] Speaker E: Oliver.
[00:35:31] Speaker C: Goeienavond.
[00:35:32] Speaker E: Welkom.
[00:35:33] Speaker C: Dankuwel. Sorry dat ik tien minuutjes later ben.
Professor Dries van Isacker is al van jongs af aan gebeten door voetbal en wielrennen. Hij volgde beide sporten van dichtbij en ging geschiedenis studeren. Zo belandde hij op de faculteit geschiedenis van de KU Leuven waar hij masterproeven sportgeschiedenis leidde. Hij schreef ook biografieën over Roger de Vlamink en het boek de geschiedenis van Club Brugge.
Uiteindelijk stapte hij over naar de faculteit Theologie, maar bleef hij wel die masterproeven over sportgeschiedenis begeleiden en voerde hij actief onderzoek binnen de sportgeschiedenis, zo ook over de frontwanderers.
[00:36:12] Speaker E: Het is bijna een elite groepje. Het zijn eigenlijk de rode duivels, kun je zeggen. Het zijn de topspelers uit die periode, kun je zeggen, meestal.
In de voetbal al die bezig was voor de oorlog. Er waren er al die in Engeland speelden en ook enkele spelers die al in Italië speelden. die figuren, ondanks de oorlog, men zou bijna kunnen zeggen, maar dat is natuurlijk een beetje misplaatst, dankzij de oorlog en dankzij het feit dat die in feite een conditie hebben kunnen blijven onderhouden, wat bepaalde Belgen niet hebben kunnen doen als ze niet in het leger opgeroepen waren en zich aan de andere kant van de ijzer bevonden, als ze in het bezette België bleven of verbleven of weggevoerd werden als gevangenen, krijgsgevangenen, dan had je natuurlijk niet de mogelijkheid om je conditie op die wijze verder te onderhouden.
En waarom zei ik dat? Omdat het volgens mij geen toeval is dat wanneer de competitie opnieuw begint na de Eerste Wereldoorlog, dat Club Brugge kampioen speelt.
Omdat zij toch heel wat spelers aan het front hadden en bij de frontwanderers.
En dit is volgens mij toch een van de redenen waarom ze een voorsprong hadden op bepaalde andere ploegen die niet zoveel soldaten bij de frontwonderers hadden of die eerder in het bezette gebied bleven.
[00:37:39] Speaker C: De professor gaat meteen de diepte in en vertelt hoe het Belgische leger het voetbal gebruikte als vertier.
Zowel voor de burgers als voor het militair personeel, maar ook als manier om geld in te zamelen voor de oorlogsslachtoffers.
En gezien heel wat vermogende Belgen naar het Verenigd Koninkrijk waren gevlucht, longten de betere militaire ploegen ook in die richting. Met de frontwanderers als onbetwist neusje van de zalm.
Op conditioneel vlak viel er weinig te beginnen tegen de frontwanderers. Stuk voor stuk soldaten en officieren, gehard door de strijd, verbonden door het voetbal met reeds de basisconditie van voetballers.
Maar ook op tactisch vlak probeerden ze nieuwe benaderingen uit, met dank aan Torte Goetink die al eerder in het Verenigd Koninkrijk de mosterd was gaan halen.
[00:38:27] Speaker E: Ze hebben dus het W-IM-systeem ook al toegepast. Twee verdedigers, twee aanvallers en dan zes middenvelders, drie ervan offensief.
Dat is dus een IM en een W die in elkaar passen als je dat op het veld ziet.
Dat is iets wat Thornton Houtink heeft altijd toegepast met de nationale ploeg.
Dus dat is ook iets dat toch al ingecijpeld was of ingebeiteld was tijdens de tournées van de frontwonners.
Ja, er was een kolonie van Belgen in Engeland.
Je ziet dat ook aan de kranten. Men heeft dus Nederlandstalige en Franstalige kranten in Engeland voor de Belgen die er gevlucht waren.
En je hebt ook kranten, Engelse kranten, die dan de mensen oproepen om solidair te zijn en om zoveel mogelijk mogelijk uit te geven tijdens die wedstrijden ter behoeve van het helpen van de mensen aan het front. Er was wel een enorme solidariteit.
Maar als je natuurlijk de uitslagen bekijkt, wat er ook mogen van zijn, hebben ze natuurlijk wel een paar keer gewonnen tegen die Engelse selecties. Dus zo zwak waren ze zeker niet.
Plus ja, het waren ook Mensen die gewoon waren van te voetballen in de Belgische competitie voor de Eerste Wereldoorlog. Het waren ook geen Doetjes. Ze speelden ook bijvoorbeeld in... Sommigen voor Aston Villa, anderen speelden voor Milan.
En als je dan ook ziet, bijvoorbeeld de carrières van Thornton Houtink...
Ballieu, Combier, Zwartenbroeks, dat zijn toch allemaal spelers die zeker niet onder moesten doen, denk ik. Als je dan ook de voetbaluitslagen ziet later, zie je dat dat toch geen meelopers waren.
[00:40:55] Speaker A: Ah, Felix, hier zit je. Zo schoon met je gasmasker.
Duf, Felix, bij jou is toch niet bang van een beetje mosterdgaseus.
[00:41:02] Speaker C: Zeg, het is morgen training op het
[00:41:03] Speaker A: Strand van de Pannen. 10 uur stipte, niet gelijk de vorige keer.
Allee, ik ga door naar Ramskapelle. Hopelijk zit Jan van Kanta nog. Salut hé.
[00:41:18] Speaker B: Zonder goeding zou er van die frontwanderers geen sprake zijn geweest. Dan was dat idee de stille dood gestorven. Omdat hij letterlijk... Met zijn motocyclet of hoe moet je dat noemen? Een brommer.
Achter de flondlijn reed van Ieper naar De Panne en hij was de boodschapper van mannen, morgen is daar training.
Mannen, morgen vertrekken we in De Panne op reis voor die wedstrijd.
Dus hij was de drijvende kracht, de doener, de duivel doet al.
Achter dat idee.
verpersoonlijkte dat idee.
Hij was de vertolker, de frontfiguur met gevaar voor zijn eigen leven.
Om dat echt tot een ongelofelijke story te maken die zijnsgelijke niet kent in de geschiedenis van het interland voetbal op wereldniveau.
Er is geen enkel verhaal dat op die manier geschreven is tussen 16 en 20, van een ploeg van internationalen die twee jaar aan een stuk benefietwedstrijden gaat spelen en trainingen doet en die twee jaar later met dezelfde kern olympisch kampioen wordt in eigen land en wordt uitgeroepen tot wereldkampioen door de media. Dat is nog een ander verhaal.
Maar zonder goed ink, Zou daar geen sprake van geweest zijn? Waarom ook niet? Omdat hij niet alleen de man was die de kleedkamer... Elke vergelijking is wat overtrokken, maar als ik zo'n humor en ook zo'n stuk zo'n menslievendheid uit die voetbalanecdote haal, dan kan ik hem wat vergelijken met een type Jurgen Klopso, die ook geen denker is, maar die ideeën omzet in de praktijk door zijn charisma. Goed, ik had charisma.
Houtink had charisma, die een kleedkamer kon vullen, die met zijn grappen en rollen iedereen mee kreeg, die rivaliteiten oversteeg. Zijn beste vriend was een van de Serkel, die rivaliteiten achter zich kon laten als het nodig was.
Dat moet je in jou hebben.
Je hebt daar mensen voor nodig die verder kijken dan hun neus lang was en zo was Goetink. En die dat tegelijkertijd kunnen motiveren en anderen overhalen. En hij was iemand die dat met grappen en grollen kon doen.
Die ook niet te beroerd was om zich af te zetten tegen hierarchische oversten. Dat is hilarisch zoals hij dat beschrijft. Vaak het iksel op de deus kreeg, maar daar ook dan de humor wel van inzag, de zelfspot. Er was een man die geen last had van zelfspot.
Dus ja, de persoonlijkheid van Goertink was eigenlijk...
noodzakelijk omdat het idee van die frontwanderers dat een intellectueel idee was, gevormd door de ploeg rond de minister van Binnenlandse Zaken en door Zwartenbroeks als speler, aanvoerder, de man met de brains in de ploeg, dat zou nooit in de praktijk kunnen omgezet worden geweest.
Mocht je geen type goedink letterlijk en figuurlijk op het einde... En die vond dat ook leuk, hè, om met je brommer tussen de bommen en de granaten... Misschien overdreven. Ik denk ook dat hij het leuk vond om daarin te overdrijven, waarschijnlijk. Maar er zijn echt mensen gestorven die hij ging opzoeken om te zeggen... Morgen is te zijn in de Rode Duivels gestorven of levensgevaarlijk gewond geworden.
Omdat hij, terwijl hij ze aan het opzoeken was, van overmorgen is daar training. Die bijna in zijn armen zijn overleden. Daar had je echt een onverschrokken iemand voor nodig die 100% geloofde, 200% geloofde in dat idee.
[00:45:07] Speaker C: Onder impuls van denker Armand Zwartenbroeks en doener Thornton Goetink spelen de Front Wanderers hun eerste wedstrijden in Frankrijk tegen militaire selecties.
Al snel krijgen ze een officiële status binnen het leger.
In 1916 beginnen ze aan een reeks intergeallieerde wedstrijden tegen Franse, Britse en Canadese ploegen.
Nadien verslaan ze in Frankrijk de nationale ploeg met 1-4.
Met de komst van Van Hegen wordt het niveau nog verder opgetrokken.
In 1917, een jaar later, verslaan de frontwanderers Frankrijk opnieuw met 1-3.
Daarna trekken ze naar Italië.
Aan het Comomeer verslaan ze zowel Modena als de nationale ploeg van Italië.
Enkel tegen FC Milan moeten ze de duinen leggen.
Later dat jaar ondernemen de frontwanderers hun bekendste tournee naar Engeland, waar ze Londen, Glasgow, Liverpool en Birmingham aandoen. Allemaal steden met erg veel Belgische vluchtelingen.
Daar winnen ze onder meer van Celtic Glasgow met 2-1 en van Aston Villa met 4-1.
Zelfs Britse kranten schreven vol bewondering over de Belgians van de frontline.
De Front Wanderers worden een begrip. Ze spelen nog even verder na de oorlog en winnen in 1919 zelfs de eerste Kentish Challenge Cup, een toernooi tussen de Belgische, Franse en Britse militaire elftallen. Een traditie die vandaag nog steeds bestaat.
Louis Van Heeghen, Felix Ballieu, Honoré Vlamink, Ferdinand Wertz, Armand Zwartenbroeks, Charles Cambier, René Decoux, Oscar Verbeek, Emile Hansen, Joseph Cuppens, Charles de Meulenaren, Maurice de Bruyne.
De indrukwekkende lijst, opgesomd door professor Van Isacker, zou er waarschijnlijk nooit gekomen zijn zonder de bravoure en het natuurlijke charisma van instandhouder Hector Gutting.
Maar er zijn ook rode duivels die door de gruwel van de oorlog de Olympiade van 1920 niet haalden.
Dominique Baas was een absolute chouchou van het Brugse publiek en een van de weinige cerkele spelers die het tot rode duivel schopte voor de grote oorlog uitbrak. Zijn einde kwam er op een zomerse dag in augustus 1918 in de laatste rechte lijn naar de bevrijding.
Baas werd verrast door een Duitse scherpschutter.
Het was een pure kwestie van pech en de foute positie.
Omdat hij neerlag, kon de kogel via zijn bil diep in zijn onderbuik binnendringen en zijn vitale organen zwaar toetakelen.
Hij hield het nog een dag vol in het militair hospitaal van Beveren aan de IJzer, maar op 26 augustus 1918 gaf zijn lichaam het op.
De klap in Brugge was gigantisch.
Voor Serkel was hij het absolute boegbeeld van hun ploeg en veel meer dan een anonieme soldaat aan het front.
Hector Gutink was er kapot van toen hij het nieuws van Baas overlijden vernam.
In het Brugge van die tijd was die rivaliteit natuurlijk ook toen al aanwezig, maar Baas en Gutink stonden daarboven.
Ze vonden elkaar blindelings, op het veld en bij de nationale ploeg en trokken ook daarbuiten constant met elkaar op.
Torte was zelfs een van de drijvende krachten achter de acties om baas na de oorlog een waardig monument te geven.
Het zegt veel over hun band dat Goetink, een icoon van Club Brugge, zich zo hard inzette voor zijn boezemvriend van de Groen Zwarte Vereniging.
Louis van Hegen werd misschien beschouwd als de beste speler van het Europese vasteland, maar Jan van Kant van Racing-Mechelen was de meest getalenteerde.
Deze geboren Leuvenaar verzochte het spektakel op de flank bij Racing, de Rode Duivels en de Front Wanderers. Hij was gedoodwerft om te schiederen in 1920.
Na de oorlog zou hij echter nooit meer hetzelfde zijn.
Diagnoses als shellshock of posttraumatisch stresssyndroom kwamen te laat, getuige het ontroerende einde van zijn voetbalcarrière, opgediept en neergepent door Raph Willems.
Op de slotspeeldag van het seizoen 1919-1920 speelt het Club Brugge van Tortengoetink voor de titel op het veld van Racing Mechelen, met onder andere frontwanderers Jan Dogaar en Jan van Kant in de ploeg.
Van Kant was al enkele weken eerder gestopt.
Het ging niet meer.
Maar het bestuur van Union Saint-Gilloise overtuigde Jan om nog één keer de schoenen aan te trekken. Een one-upspoging om een wervelend Club Brugge alsnog van de titel te houden.
Na slechts twintig minuten liet Van Kant zich echter met knikkende knieën en tranen in de ogen in de armen van zijn ploegmaat Dogar vallen.
Het stond toen al 2-0 voor Club, na doelpunten van uiteraard De Veen en Ballieu.
zou comfortabel met 3-0 winnen en eindelijk die eerste titel vieren. De euforie was compleet, terwijl de Mechelaars zich in stilte schaarden rond Van Kant. De meest getalenteerde voetballer van misschien wel Europa, die een snikkende schim van zichzelf was en op dat contrasterende moment afscheid nam van het voetbal.
zijn gezondheid gaat snel achteruit.
Van Kant sterft in 1926 op 38-jarige leeftijd aan een nooit geheelde mentale en fysieke oorlogsverwondingen.
[00:51:03] Speaker B: Voor mij was dat de eerste sociaal-maatschappelijke beweging in het interlandvoetbal die de oorlog overstijgde en die een humanistische insteek had. Humanistisch-christelijke insteek, naastenliefde, solidariteit, dat kwam samen. Het is veel meer dan een verhaal van voetballen in oorlogstijd. Het oversteeg dat, maar omdat het in België zit waar geen interesse bestaat daarvoor, Het is jammer dat ik het moet zeggen.
Heeft dat nooit die status gekregen die het verdiend heeft, die het in andere landen, in Groot-Brittannië of Duitsland, ook in Nederland waarschijnlijk, zou men dat anders bekeken hebben.
Tegelijkertijd, die story is zo schrijnend en zo schoon, maar het schrijnende aan die story is dat dit een verhaal is, als je dat vertelt tegen mensen die van voetbal niks weten of van voetbal niks moeten hebben, en zo zijn er genoeg, omwille van de wantoestanden in onze sport, dan zeggen die, jammer, als ik dat geweten had dat het ook voetbal is, dan ben ik mee.
Ik heb dat boek al verkocht aan mensen die nul interesse in voetbal hebben, maar die geraakt worden door de story.
En de quizvraag is nu hoeveel Belgen zouden dit verhaal kennen. Gooi het eens in de groep.
[00:52:30] Speaker E: De geschiedenis van de Olympische Spelen in Antwerpen heeft gekregen omdat de geallieerden symbolisch wilden het kleine België dat overrompeld was door de Duitsers in ere herstellen.
En daarom hebben zij ook de Olympische Spelen na lange balabers toch toegewezen gekregen. Het was ook zeer moeilijk voor België om de infrastructuur klaar te hebben.
Het was eigenlijk achteraf gezien een verheftigst geschemd, zeker op financiële vlak, want het is een zeer noodlijdende investering geweest, bijvoorbeeld door allerlei groepen rond Beerschot, rond Antwerp, Van Dijk, de grote Van Dijk die daar tussen gekomen is ook. Het zijn mooie spelen geweest, als je de rapporten leest over de spelen, maar het is een bankroute geweest. Maar wat je ook niet mag vergeten is dat het in feite eerder militaire spelen zijn geweest.
Men kwam bijna vers uit de oorlog. Dat had natuurlijk de inter- geallieerde spelen 1919 in Frankrijk.
Maar er kwamen net precies weer veel militairen. Het is ook geen toeval dat de meeste atleten natuurlijk mensen waren van tussen de 20 en de 35 die uit de oorlog kwamen, mannen.
[00:53:53] Speaker C: Eerder in deze aflevering beleefden we het al. Club Brugge viert eindelijk haar eerste landstitel in het jaar van de Olympische Spelen.
Met fysiek en viriel voetbal is er geen discussie mogelijk.
Onder impuls van Combier en Goetink is Club de terechte kampioen.
Een selectie voor de Rode Duivels die in eigen land de Olympische Spelen mogen aanvatten moet de kroon op het werk voor Torte Goetink worden.
[00:54:21] Speaker A: Ik heb het via de krant moeten vernemen. Drie, nee, vier keer heb ik de selectie doorgenomen.
Maar ik zie mijn naam er niet tussen staan.
Mijn vrouw had al weken op voorhand mijn koffers gepakt, voorzien van alles wat ik nodig had om ons land te vertegenwoordigen op de Olympische Spelen in Antwerpen.
Maar op wat dat steeds mijn plaats in de selectie was, zie ik Fernand niet zo staan.
Geen onbekend, maar een speler van Leopold Klub uit de tweede klasse.
En zeven spelers van Union.
En van Klub, de kampioen, eentje.
Félix Ballieu, onze centervoor.
Het heeft geen zin voor u lang bij stil te staan, maar ik denk er het mijne van.
Ik denk niet dat ik me ooit al zo ontgoocheld heb gevoeld als op dit moment.
[00:55:07] Speaker B: Dat is een raadsel voor het leven dat we ook historisch nog niet kunnen ontrafelen hebben.
Goetink geeft zijn anekdote dus uit en noemt dat in een paar zinnetjes de grootste ontgoocheling van zijn leven.
maar hij gaat daar niet op in en dat is niet des goedings.
Later is hij dus in ere hersteld geworden, vermoed ik, omdat zijn deelname aan die Interland-België-Engeland in 1923 bij de opening van de Bosuil was ridicuul, 37 jaar.
Hij kon niet meer mee en ineens staat hij daar tegen de Het sterkste tegenstander van Europa in de ploeg. Hij geeft zelf toe, ik raak tegen een bal.
Hij was het slechtste Interland die ik ooit gespeeld heb.
[00:55:53] Speaker C: Bij het monteren van dit laatste stukje denk ik aan de woorden van Raph.
Dat de geschiedenis nooit stilstaat.
We bellen nog eens een keer. En wat blijkt? De geschiedenis staat inderdaad niet stil.
In het kader van de nieuwe uitgave van zijn boek België 1920, de eerste wereldkampioen voetbal, is Raff volop zijn onderzoek aan het verderzetten.
Bij een bezoek aan het Rijksarchief ontdekt Raff heel wat aanleidingen die tot de niet-selectie van Hector Houtink en bij uitbreiding andere uitblinkers van toenmalig kampioen FC Bourgeois zouden hebben geleid.
Herinner je je het moment waarop supporters van Club Brugge de omnibus met Unionspelers aanvielen? Het is maar één voorbeeld van hoe de blauw-zwarte volkelingen zich afzetten tegen de grandeur uit de hoofdstad.
Ruim tien jaar later haalt La Vie Sportive, de hoog aangeschreven Franstalige uitgave van de Voetbalbond, die feiten terug boven om de titel van FC Bourgeois te minimaliseren.
Op de redactie lopen namelijk vooral personen rond die hoog oplopen met de Brusselse clubs, waaronder dus Unions.
Rond diezelfde periode wint FC Bourgeois onder impuls van opnieuw een ongrijpbare Goetink de Coupe La Dernière, een beetje de officieuze voorloper van de Beker van België.
Ook die overwinning wordt in la vie sportive geminimaliseerd en wordt Torte Goetink met verheven cynische toon omschreven als Le Vieux Goetink. Nog wat later stopt de Nederlandstalige versie van la vie sportive, sport leven, ermee. Onder andere FC Bourgeois zetten zich hier fel tegen af, wat opnieuw tot onvrede leidde bij de bond in Brussel.
Tot slot is de selectie voor de Olympische Spelen op zijn minste voer voor discussie.
Zeven spelers van Union en slechts eentje van Kampioenbrugge. De vervanger van Hector Houtink was Fernand Nisseau, een buitenspeler van Leopold Klub dat op dat moment in de tweede klasse uitkwam.
De naam Leopoldclub doet natuurlijk vermoeden dat het om dé koningsgezinde club van België gaat, wat ook de nodige deuren opent bij het selectiecomité.
Een officiële reden voor de niet-selectie van Tortegoedink is er niet.
Zelfs de nabestaanden zijn het spoorbijster.
Maar er zijn voldoende aanleidingen, opgediept door Raf Willems, die het een en ander kunnen verklaren.
Enkele dagen na de bekendmaking van de selecties starten de Olympische Spelen in Antwerpen op 14 augustus 1920.
Het is de vijfde keer dat Association Football op de Olympische agenda staat. Vijftien landen doen een gooi naar de gouden medaille. En met Egypte zit er voor het eerst een niet-Europees land bij de deelnemers.
Het duurt niet lang, vooral leert Kiel op zijn grondveste davert door een sportieve aardbeving.
De absolute shock van het toernooi.
Groot-Brittannië, de regerende Olympische kampioen van 1908 en 1912, moet al in de allereerste ronde de duimen leggen tegen het bescheiden Noorwegen. Een droge 3-1.
Tot op de dag van vandaag staat die match in de boeken als een van de grootste upsets uit de voetbalgeschiedenis. Hoe dat in godsnaam kon gebeuren, pure Britse hoogmoed, gekoppeld aan politiek gehannes.
De Home Nations liggen, ja, nog steeds overhoop met de FIFA en sturen uit protest een B-elftal.
De Noren daarentegen posteren hun absolute A-ploeg op de Antwerpse mat.
Mannen die fysiek ijzersterk zijn, met bakke grintas spelen en volop in hun competitieritme zitten.
De Britten denken de klus op pure klasse en traditie te kunnen klaren, maar worden simpelweg overlopen door de Noorse stormloop.
De Noorse spits Einar Gundersen ontpopt zich tot de beul van Groot-Brittannië. Hij trapt Noorwegen al vroeg op voorsprong en dikt na de rust aan tot 2-0.
Wanneer het even later zelfs 3-0 wordt, staan de Britten met de mond vol tanden.
Een late eerrijder kan de blamage niet meer keren.
De Olympische koningen liggen van hun troon.
Op 29 augustus is het zover. België treedt in het Olympisch stadion voor een kleine 20.000 toeschouwers aan in de kwartfinale.
De tegenstander is Spanje.
De gevreesde Furia Roja.
die in de vorige ronde in haar allereerste officiële Interland visse wereldkampioen Denemarken uitschakelde. De Spanjaarden willen niets aan het toeval overlaten en komen met een sterke selectie naar Antwerpen.
In het doel staat Ricardo Samoda, El Divino, de goddelijke, op zijn negentiende al een levende legende en zowat de beste doelman ter wereld.
Later zou de Spaanse trofee voor de minst gepasseerde doelman uit de La Liga zijn naam dragen. En daar stopt het niet. Ook Rafael Moreno Aranzadi is van de partij.
Allee, zegt u dat echt niks? U zal het dan van zijn bijnaam moeten hebben. Die luidt Pichichi.
Kenners weten nu al dat het over de trofeo Pichichi gaat. De naam van nog een andere trofee, namelijk die voor de topschutter van de La Liga.
Zelfs zonder het Koningshuis zitten we dus met serieuze Spaanse voetbalroyalty in deze selectie.
Pichichi leidde Athletic Club eigenhandig naar vier kopadelreis. Al zijn interlands voor Spanje speelde hij in Antwerpen. Hij overleed slechts twee jaar later aan de gevolgen van tyfus.
In Spanje, en al zeker in het Baskenland, is hij een absolute legende.
Het mag duidelijk zijn. Met deze legendarische lichting kwam Spanje niet voor dos cervezas naar Antwerpen.
Komt daar nog eens bij dat de Belgen zowaar onder een streamend Antwerps fluitconcert het veld betreden.
Niet alleen bij Tortengoetink en bij Uitbreiding Clubbrugge, maar ook in de Koekenstad zijn er vragen over de samenstelling van de selectie waarin maar liefst negen Brusselaars starten en met vierens slechts één Antwerpenaar.
Maar de Belgen zijn niet onder de indruk.
Vanaf de aftrap grijpen ze de Spanjaarden met fysiek en vloeiend voetbal bij de keel.
Zelfs zonder Goetink zijn de frontwanderers terug van nooit weg geweest. De automatismen zijn indrukwekkend. Robert Copé, de bonkige sluipschutter met zware rechter van Union, speelt bovendien de match van zijn leven. met een vlijmscherpe hat-trick waarvan eentje op assist van Louis van Hegen legt hij Samora, Pichichi en de rest van de Spanjaarden eigenhandig over de knie. Spanje zoekt naar adem, roert zich als een duivel in een weiwatervat, maar botst op een ijzersterk Belgisch blok. Eindstand 3-1.
Na Engeland mag er met Spanje opnieuw een favoriet huiswaarts keren.
Het Kiel ontploft een eerste keer en de protesten verstommen.
De toon is gezet.
De halve finale spelen de Rode Duivels tegen het onvermijdelijke Nederland.
Geen twee tegenstanders op het Europese vasteland kennen elkaar zo door en door.
En tegen de Hollanders leggen we al onze verschillen bij.
Van de Antwerpse supportersprotesten is niets meer te zien of te horen. Het weekblad Sportreview schrijft zelfs over geestdriftige landgenoten die opgewekte liederen en tal van drie kleurenboven halen. De ruim 22.000 aanwezigen zien ook voor het eerst een derby der lage landen met inzet. Hier staat Olympisch eremetaal op het spel.
Toeval of niet, William Maxwell, Britse selectieheer van de Belgen, dropt Désiré, noem hem maar Dis Bastin van Antwerp, en Rik Larnou van Beerschot in de ploeg. Een Antwerpse meesterzet, zo blijkt. Er is geen speler die meer op een moderne targetman lijkt dan Rik Larnou.
En Dis Bastin, die de jeugdstreekse van Chelsea doorliep, was ongrijpbaar op de flanken.
De Rode Duivels lanceren aanval na aanval. De driehoekjes van Larnoe, de Russes van Bastijn en de alomtegenwoordigen van Hegen. De Nederlanders, die in de vorige ronde de kraker tegen een sterk Zweden wonnen, weten niet waar te kruipen. En als bij wonder staat het bij de rust nog steeds 0-0.
In de tweede helft trekken de Rode Duivels de wedstrijd helemaal naar zich toe. Rick Larneau luistert zijn wedstrijd op en scoort na een combinatie zijn eerste doelpunt in zijn eerste Interland.
Nog voor het uur wordt Van Hegen diepgestuurd en Luigi stelt niet teleur. 2-0 en de Pelgen op roze.
Emile Hansen, de mannetjesputter van Union, zuigt alle ballen naar zich toe en werpt zich letterlijk op alles wat er ook maar een beetje oranje uitziet. De energie bij de Rode Duivels lijkt eindeloos. En op vijf minuten van het einde puntert Mathieu Braguart van CS Verviertois de 3-0-eindstand tegen de netten.
De Nederlanders trekken zich weinig aan van de nederlaag. Zij stellen hun hoop reeds op de wedstrijd van de bronze medaille, die ze met 1-3 van Spanje zouden verliezen en wilden vooral met Antwerpse nachtleven induiken. De Rode Duivels daarentegen trekken zich terug voor hun afspraak met de geschiedenis.
Want in de finale wacht Tschechoslovakije.
De topfavoriet dankzij de Praagse school.
Waar veel landen in de vroege 20e eeuw de lange bal hanteren, blinken de Tsjechoslovaken uit in snelle, korte combinaties en positiekiezen, waar de bal het werk doet in plaats van de man.
De basis van hun nationale team bestaat uit spelers van het ongenaakbare ijzeren Sparta-Praag, waardoor hun haarfijne taktische begrip ook bij de nationale ploeg op het veld stond.
Met een 7-0 tegen Joegoslavië, 4-0 tegen Noorwegen en 4-1 tegen Frankrijk komen de Tsjechoslovaken niet alleen als favoriet, maar ook met vertrouwen de finale in.
Door de 42.000 toeschouwers, en volgens sommige bronnen zelfs 50.000, barst het Olympisch stadion uit zijn voegen. De uitzinnige entrepeneurs maken er een heksenketel van, op het randje van het vijandige zelfs.
Tsjechoslovakije is een jong land en komt met een nog jongere ploeg uit de oorlog. Hun voetbal mag dan wel vernieuwend en vloeiend zijn, hun mentale weerstand is dat niet.
De uitzinnige massa, de uitpuilende tribunes, mensen die op daken en omheiningen klimmen en het veld omringd door soldaten die nog tegen hen vochten toen Tsjechoslovakije deel uitmaakte van het Oostenrijkse Hongaarse keizerrijk. Het zorgde voor een sfeer zo intimiderend dat de topfavoriet op leme voeten aan de wedstrijd begon.
En daar maakten de Rode Duivels gretig gebruik van.
[01:07:12] Speaker B: Quelduivel
[01:07:17] Speaker C: van dienst, Dis Bastin.
Met nauwkeurige lange ballen en snedige voorzetten brengt hij de verdedigers van de Tsjechoslovaken in verlegenheid. Uiteindelijk zorgt een hensbal op zo'n voorzet ervoor dat Kopé van op de stip België op voorsprong trapt.
De ruimtes worden groter en de Tsjechoslovaken weten in een kolkend kiel zich niet meer te weren.
[01:07:43] Speaker B: Bragaar.
[01:07:44] Speaker C: Opent naar Bastin. Ruimte op de flank. Larnoux met de loopactie. Krijgt de bal van Bastin. Dribbelt Collinati en Hoyer. Hoewel Larnoux zeker geen dribbelaar is.
En poeiert de 2-0 net onder de lat onhoudbaar tegen de netten.
En in de 39ste minuut slaat de vlam helemaal in de pan. Copé. We worden straatje ingestuurd... ...en door Steiner in frustratie neergehaald met een trap op het bovenlichaam.
Scheidsrechter John Lewis, op de gezegende leeftijd van 65 jaar, trekt prompt de rode kaart.
Tsjechoslovaaks captain Karel Pesek is het oneens en besluit daarop om zijn manschappen naar binnen te sturen.
Scheidsrechter Lewis past vervolgens de regels correct toe en fluit in minuut 43 de wedstrijd af.
België wint de gouden medaille in het voetbal. België is wereldkampioen.
de dijken op het Kiel breken. Duizenden uitzinnige supporters, havenarbeiders, mannen in kostuum met bolhoeden, studenten, militairen, allemaal door elkaar stromen het heilige gras op. De spelers worden op de schouders gepakt en rondgedragen, terwijl een militaire kapel ergens in de chaos de Brabantzone probeert in te zetten. Het is een ongeziene volksuitbarsting, een soort collectieve bevrijding van een land dat nog volop de wonden van de oorlog aan het likken is.
Voor de spelers had de bond geen overwinningsfeestje voorzien, dus doken de Rode Duivels na de match gewoon de volkscafés rond het Kiel in. Gasten als Emile Hansen en Rick Larnoux stonden aan de toog pintende drinken tussen de gewone supporters. Het strafste is dat ze die deels uit eigen zak moesten betalen, hoewel een tournee-general hier en daar zeker niet uitgesloten wordt.
Helden van de natie die in hun gewone kleren luidkeel stonden te zingen in de donkere Antwerpse kroegen.
In de historische verslagen wordt ook verteld hoe de spelers die avond of de dag erna zonder pardon weer overgingen tot de orde van de dag.
Armand Zwartenbroeks zat als dokter de volgende ochtend gewoon weer patiënten te ontvangen in zijn praktijk in Koekelberg.
Andere spelers pakten doodleuk de tram of de trein in derde klasse naar huis, zittend tussen dezelfde roepende supporters die hij een paar uur eerder nog op de schouders had gedragen, met de gouden medaille voetbal in hun knapzak.
Jan Deby, Armand Zwartenbroeks, Oskar Verbeek, Joseph Mouch, Emile Hansen, Dre Vierens, Louis Van Hegen, Robert Copé, Mathieu Bragare, Rikke Larnoux, Dis Bastin, Félix Balliou, Fernand Niseau en Georges Hebdain.
Ze kregen elk een gouden medaille, maar ook slechts 10 frank per dag tijdens de Olympische Spelen. Amper genoeg voor de uitrustingen en verplaatsingen.
En nu mijn vraag voor u, beste luisteraar.
Hoeveel van deze namen kende u en hebt u weet van een stambeeld, een gedenksteen, een museum of een ander teken voor deze echte Gouden Generatie?
Nee?
Leer dan op zijn minst hun namen van buiten. Geef ze de mooiste postuum eer die gegeven kan worden.
De eer om nooit meer te worden vergeten.
[01:11:25] Speaker B: Terwijl
[01:11:35] Speaker C: op het veld en de tribunes de feestgekte en de ceremonie aan de gang zijn, schrijven de Tsjechoslovaken in de kleedkamer hun officiële protestnota voor het olympisch comité.
Hierin lieten ze geen spaanderheel van de 65-jarige Engelse scheidsrechter John Lewis.
Ze stelden letterlijk dat de meerderheid van zijn beslissingen vervormd en partijdig was.
Hun protestnota zou uiteindelijk niet weerhouden worden en het olympisch comité zou de Tsjechoslovaken zelfs officieel disqualificeren.
Elk verhaal heeft natuurlijk twee kanten.
De Belgische kant hebt u reeds gehoord, maar er zijn weinig tot geen Nederlandstalige bronnen over de Tsjechoslovaakse kant te vinden.
Toch wil de valse trager het gehele plaatje schetsen.
Om geschiedkundig getouwtrek voor te zijn, contacteer ik Thomas Koshar.
Thomas, of Tom, is afkomstig uit Brno, Tsjechië en is een voetbal- en Slavia Praag fan.
Hij studeerde in een Erasmusjaar Geschiedenis aan de KU Leuven, waar hij een kotgenoot van mij was.
Tom laat me snel weten helemaal niets van deze geschiedenis af te weten, maar hij gaat meteen op onderzoek uit.
We bellen enkele dagen later.
Ons gesprek is in het Engels, maar met behulp van artificiële intelligentie heb ik zijn uittegenzetting naar het Nederlands laten dubben.
[01:12:52] Speaker G: We moeten niet vergeten hoe de wereld er in 1920 uitzag.
Tsjechoslowakeië was als land amper twee jaar oud.
We roeden nog letterlijk grensoorlogen en de instellingen die werkten, waren gewoon de restanten van het oude Oostenrijkse Hongaarse keizerrijk.
[01:13:08] Speaker C: Net als Goedel, Thornton Goetink, schreef Karel Pesek zijn voetbalmemoires.
Hierin bleef hij volhouden dat zijn actie om van het veld te stappen geen opwelling was, maar een weigering om mee te gaan in een varse.
[01:13:20] Speaker G: Onze jongens waren amateurs.
De nationale competitie bestond nog niet eens.
Onze ploeg was taktisch enorm sterk onder de Schotse coach John Madden.
We hadden de match daarvoor vlot gewonnen, maar qua ervaring stonden we nergens.
Naar de normen van vandaag leek ons team qua structuur eigenlijk meer op een lokale club dan op een nationaal elftal.
[01:13:43] Speaker C: Volgens Tsjechoslovakische dagbladen was de toon echter al voor de aftrap gezet.
Delen van de Belgische pers hadden de sfeer stevig opgeklopt door de nieuwe republiek Tsjechoslovakije af te schilderen als een van de agressorstaten in de Eerste Wereldoorlog.
Het team voelde zich vanaf de eerste minuut extreem vijandig behandeld en de ruim 40.000 dolenthousiaste Belgische supporters en de aanwezige militairen die rond het veld een cordon vormden, hielpen ook niet echt.
[01:14:11] Speaker G: en die finale was een heksenketel.
Ik las in de historische verslagen dat het stadion ver boven de capaciteit overvol zat.
Het publiek liep voor de match al op het veld, waardoor het leger moest tussen beide komen.
En daar zat de echte angel.
Voor die 40.000 tot 50.000 Belgen in de tribune waren die Tsjechoslowaken geen sportieve tegenstanders, maar de vijand van twee jaar geleden.
Die supporters en die Belgische soldaten rond het veld hadden net de hel van de grote oorlog overleefd.
Er deden verhalen de ronde dat wij ook soldaten waren die destijds aan de kant van de Oostenrijkers vochten.
In die sfeer dacht een groot deel van dat publiek waarschijnlijk dat er moordenaars op het veld stonden.
Dat overstijgt het normale voetbalhooliganisme.
Probeer in zo'n vijandige setting maar eens een scheidsrechter te vinden die je 100% onpartijdig durft te blijven.
Wat had er trouwens gebeurd als wij wel hadden gewonnen?
Dat was waarschijnlijk niet eens geaccepteerd door de massa.
Onze jongens wisten simpelweg niet hoe ze met die intimidatie moesten omgaan.
Dat zie je ook terug in de reconstructies van de goals.
Ze stopten tijdens de match te snel met voetballen voor het fluitje van de scheidsrechter klonk.
Bij het eerste doelpunt dachten ze dat er een overtreding op de keeper was.
Ze stopten met spelen en kregen prompt een penalty tegen wegens Hands.
Bij de 2-0 dachten ze opnieuw aan een fout en stonden ze weer stil te kijken.
Ze bleven maar wachten op een fluitsignaal dat nooit kwam.
Die twee goals waren dus ergens onze eigen fout.
De rode kaart voor Steiner was volgens de bronnen waarschijnlijk terecht, want we hebben die Belgische speler toen echt geblesseerd.
Maar de match was toen al een vuile, fysieke schoppartij geworden omdat de scheidsrechter alles liet doorgaan.
Pesek was een absolute legende.
Maar hij was ook een heethoofd die erom bekend stond dat hij zijn ploeg van het veld haalde als hij vond dat de arbitrage hem beduvelde.
Dat deed hij later in zijn carrière bij Sparta-Praag ook nog.
[01:16:32] Speaker C: Tsjechische sportverslagen uit die tijd focussen ook sterk op wat er direct na de stopsetting gebeurde. Het Belgische publiek bestormde het veld en de sfeer sloeg om in agressie.
Spelers rapporteerden dat ze doodsangsten uitstonden. Belgische bronnen nuanceren dat dan weer door te zeggen dat de soldaten hen net veilig naar de kleedkamers loodsten.
[01:16:52] Speaker G: Achteraf gezien was het misschien maar beter dat ze eraf zijn gestapt.
Daarmee hebben ze wellicht voorkomen dat de situatie echt escaleerde en er mensen gewond raakten.
Het officiële protest dat onze delegatie nadien indiende steunde op drie duidelijke punten.
De partijdige beslissingen, het negeren van de grensrechters en de vijandige sfeer van het publiek en het Belgische leger.
Wij hebben die finale slecht aangepakt en verloren omdat we toen nog niet de maturiteit hadden om professioneel met zo'n extreme situatie om te gaan.
[01:17:52] Speaker C: En ook het Nederlandse Revue d'Air Sporten was duidelijk. Belgen, vergeet nooit de naam uw eerste wereldkampioenen op voetbalgebied.
Duidelijker kan niet, hè.
Kijk, beste luisteraars, deze aflevering loopt uit.
Maar er is nog tijd voor onze open brief.
En de eerste open brief van De Valse Tragen is gericht aan de Koninklijke Belgische Voetbalbond.
beste Belgische voetbalbond.
Pikte het bij u de voorbije jaren ook zo hard in de ogen toen de Fransen massaal nieuwe shirts moesten bestellen omdat er een ster bij moest?
Vraagt u zich ook wel eens af hoe verdompt mooi zo'n gouden ster boven ons eigen bondslogo zou staan?
Dan heb ik fantastisch nieuws voor u. Die ster ligt reeds op u te wachten in de schuif. U moet ze alleen durven opstrijken.
Ik hoor uw juridische dienst al rillen van in Tubeke tot hier. Ja, maar het eerste officiële WK vond pas plaats in 1930. De jullie met trofee, de FIFA-statuten.
Bespaar je de moeite en kijk eens naar Uruguay.
Zij lopen al decennia te pronken met vier sterren op de borst, terwijl ze ook maar twee WK's hebben gewonnen.
Die andere twee sterren goud op de Olympische Spelen van 1924 en 1928, omdat de FIFA die toernooien toen zelf meeregisseerde bij gebrek aan een eigen wereldkampioenschap. En laat dat nu exact de bureaucratische haarkloverij zijn waar u zich vandaag achter verschuilt.
Het argument dat de FIFA er in 1920 op het kiel nog niet met haar neus bovenop zat, is natuurlijk lachwekkend.
Het deelnemersveld in Antwerpen was de facto de wereldtop van dat moment.
Het was geen Europees onderrondje meer.
En ja, er deden amateurs mee. Als dat een argument is om die ster te negeren, mogen we alle prestaties van de Belgen voor 1974 ook als dusdanig bekijken, want pas toen startte in ons land de profcompetitievoetbal.
Antwerpen 1920 was de eerste olympiade die in de internationale pers breed aan bod kwam en gevolgd werd. De oorlog was voorbij, tijd voor sport.
En als Le Miroir des Sports, vergelijkbaar met La Gazzetta dello Sport, of Marca vandaag, in blokletters kopt, Les Belges, champions du monde de football. En godbetert onze noorderburen titelen, Belgen, vergeet nooit de naam uw eerste wereldkampioenen op voetbalgebied. Wat houdt ons dan in godsnaam nog tegen?
Want over dat WK van 1930 gesproken, herinnert u zich nog wie er toen de meubelen heeft gered?
De Europese landen moesten destijds gesmeekt worden om mee te doen en haakten bijna allemaal af omwille van de verre oversteek. Waren het niet dat de Belgen uiteindelijk zeiden... Allee, vooruit, we gaan mee. Dan was die hele bootreis naar Montevideo en dat hele eerste WK er waarschijnlijk nooit gekomen.
Maar daarover meer in de volgende valse trage.
Het is dus dankzij onze Belgische goodwill dat de FIFA vandaag überhaupt een WK-geschiedenis heeft.
dan is een sterretje als retourdienst toch wel het minste wat we kunnen vragen.
Bovendien, één telefoontje van Bart de Wever aan Gianni Infantino kan toch volstaan?
Of, om het met andere woorden te zeggen, gaan we de FIFA in dit debat plots wel behandelen als een betrouwbare en bona fide organisatie?
Als eerste wereldkampioen voetbal hebben wij, bij een organisatie die de wetten van het voetbal voor corruptie naast zich neerlegt, geen, maar dan ook totaal geen verantwoording af te leggen om onze fierheid op deze titel emblematisch te verewigen.
Bovendien mag u het werk van uw eigen voorgangers niet verlogenen.
Het fundament van die ploeg van 1920 werd gelegd aan het ijzerfront door de Front Wanderers. Dankzij de Belgische Voetbalbond werd dat de allereerste echte humanitaire beweging in het internationale voetbal. Die mannen voetbalden in Engeland en Frankrijk om geld in te zamelen voor de soldaten aan het front en de vluchtelingen. Hun voetbal was doordrengd van menslievendheid, christelijke naastenliefde en sociale waarden. Ze hielpen een heel land recht te krabbelen. Wat zouden Armand Zwartenbroeks, Hector Goetink en Louis van Hege er vandaag zelf van zeggen dat hun sportieve orgeltonen, de enige echte hoofdprijs die dit land ooit heeft gepakt, door hun eigen bond wordt geclasseerd als een voetnoot. Terwijl we de voorbije vijftien jaar een generatie hebben platgeknuffeld die niet hoger geraakte dan brons, laten we de echte gouden helden in de kou staan uit pure, typische Belgische bescheidenheid.
Dus, beste bond, toon eens wat historische braniën en ballen. Ijs die ster op, zet ze op de shirts van de Rode Duivels en geef de humanitaire pioniers van 1920 de eer die ze dubbel en dik verdienen.
Met nostalgische groeten, de valse trager.
Zo, beste luisteraars, deze aflevering heeft lang genoeg geduurd.
Maar niet getreurd, er komt meer valse trage uw kant uit.
We zijn sinds de start van deze podcastreeks ruim twee uur verder en moeten nog steeds de oversteek maken naar het eindpunt van deze eerste reeks, Montevideo.
Dat is voor volgende aflevering.
De tijd gaat sneller dan je denkt. De tijd is een valse trage. Van harte bedankt om tot hiermee te duiken in het verhaal.
Graag bedank ik uitdrukkelijk Raph Willems, professor Dries van Isacker, Thomas Cozart en mijn stemacteurs Mathis Duméry en Bert Keulemans.
Mijn naam is Tim Oliver Mets.
Voor de volledige bronnenlijst verwijs ik je graag door naar de show notes van deze aflevering.
Hebt u genoten van dit verhaal, beste luisteraar?
Dat doet deugd, want dit is immers het werk van doorgedreven bronnenonderzoek, analyse van experten, praktische regelingen en uiteraard het neerpennen, opnemen en monteren van het verhaal. Als u de kleine moeite neemt om deze podcast een goede rating te geven in het platform waar u luistert, ben ik u enorm dankbaar.
En wilt u nog verder gaan?
Surf dan naar fooiepot.com, schuine streep, de valse trage, en trakteer ons op een fooi.
Let op, voor je pot schrijf je met een D op het einde.
Zelfs de kleinste gift volstaat om dit verhaal draaiende te houden en alleen maar beter te maken.
Nogmaals, voorjepot.com, schuine streep, de valse trage.
Voor je pot met een D op het einde en de valse trage aan elkaar geschreven. Graag tot de volgende keer.